Kom maar, laat mij het maar even doen.

Vanochtend voelt het alsof ik een diepe poel modder gesprongen ben. Ik start de werkdag en zit direct vast in de ‘shit’. Een confrontatie met de harde werkelijkheid van mijn werk en ook met mijzelf. Nog voor dat ik het weet zit ik vast in het in de negatieve spiraal van de dramadriehoek.

Het werk onder dak- en thuislozen vraagt aan de ene kant om standvastig te zijn en aan de andere kant om mee te bewegen. Ik kom mensen tegen die verslaafd zijn aan drugs of alcohol. Mensen met psychische, financiële en relationele problemen. Je kunt je voorstellen dat het werk tussen dak- en thuislozen soms voelt als leven in een snelkookpan van allerlei emoties . Het vraagt regelmatig van mij om afstand te namen van alles en eens goed te kijken wat er gebeurt. Wat is van mij en wat is van de ander?

“Help mij, Arend Jan, jij moet mij helpen.” Ik ben drie stappen de Herberg in en er is iemand die aan mijn jas trekt. “Wat is er? “ vraag ik op een rustige toon. Op dat moment zie ik dat hij boos is en in zijn ogen zie ik agressie. “Jij moet mij helpen”, zegt hij nog een keer. Ik zie, dat hij met zijn gedrag, mensen op afstand houdt, terwijl hij wat van ze wil. Ik kom in gesprek. Ik weet dat als hij dit gedrag vertoond hij zich onbegrepen voelt en dat is nu ook het geval. Ik luister naar hem en onderneem actie. Ik doe het goed, hij wordt rustiger. Maar toch, toch is er een onbevredigend gevoel.

Op het moment dat ik de Herberg in stap ontstaat er bij mij een beweging van: ‘Kom maar, laat mij het maar even doen.” Vlak daarvoor had hij namelijk al bij anderen aangeklopt. Pats, ik neem de verantwoordelijkheid over van een ander. Ik doe het wel even, ik los het wel op. Met deze houding kom ik heel ver. Ik help mensen echt, maar uiteindelijk voel ik mij alleen. En dat is niet oké, echt niet. Ik word aangesproken op de redder in mij. Als iemand dan met een hulpvraag komt dan ga meteen reageren. De ander komt met een vraag en ik kan wat betekenen en dan ervaar ik dat ik belangrijk ben. Maar als dat de manier is, dan blijft er altijd er een onbevredigend gevoel achter. Ik word bevestigd in dat ik het alleen moet doen als ik het overneem. Op dat moment is er nog een beweging, waar ik voor moet oppassen en dat is dat ik ga aanklagen. Vanuit het niet-oké-gevoel kan ik andere hulpverleners gaan afwijzen, omdat ik het allemaal alleen ‘moet’ doen. “Die doet het toch niet goed.” Dat is voor mij de bekende weg, want dan ben ik weer alleen. Maar wat wil ik eigenlijk echt?

Ik wil het helemaal niet alleen doen, ik wil het juist samen doen. Mijn eerste reactie is de makkelijkste weg alleen doen, overnemen en bekritiseren. Wat ik te doen heb ik is mij te verbinden, leren te vertrouwen, grenzen aan te geven en te zeggen wat ik echt denk en zinnen te beginnen met ‘Ik voel …’, ‘Ik vind …’, ‘Ik wil …’ zonder de ander te kwetsen.




Ieder mens heeft zijn eigen worstelingen. De mensen waar ik mee werk zijn vaak alleen, er heerst veel wantrouwen. Ik snap het dat het veel makkelijker is om op jezelf te vertrouwen en niet op anderen. We willen vaak graag hulp, maar echt vragen en te verbinden vraagt kwetsbaarheid en dan is alleen doen vaak de makkelijkste weg.